Frietverhalen 3/5

fritserie

ubelski: mei 2020

Ratten en friet

.
In de negentiende eeuw berichten Nederlandse kranten vaak en veel over Parijs. Verslaggevers doen frequent verslag van wetenswaardigheden en noviteiten uit de Lichtstad. Hoewel ons land in 1813 van Franse overheersing is bevrijd, blijft de fascinatie voor Parijs en omstreken groot.

Ja. De laatste mode uit Parijs; die vernemen wij graag en consumeren wij in de negentiende eeuw gretig. En passant berichten de vaderlandse correspondenten veelvuldig over de gefriteerde appels van de aarde.

Ze horen bij Parijs als de Notre-Dame, de bruggen over de Seine en accordeonmuziek. De straatverkoop van gebakken aardappelstukken is in de Lichtstad een fenomeen dat waarschijnlijk al in de laatste decennia van de achttiende eeuw bestaat.

Of we dan al werkelijk kunnen spreken van friet, is niet helemaal zeker. Niet onomstotelijk staat namelijk vast dat de gebakken piepers destijds reeds de langwerpige vorm hadden die friet tot friet maken.

Ach, hadden we in 1780 of daaromtrent maar smartphones en Instagram gehad. Dan beschikten we tenminste over fotografische bewijzen omtrent de vorm van de gefriteerde appels van de aarde. Hoe het ook zij; in Parijs worden op straat al heel vroeg volop gebakken aardappelstukken verkocht, vermoedelijk al vanaf de Franse Revolutie.

Wat de vorm van deze gefrituurde aardappelen betreft; we hebben een tekening uit 1842 van de Franse tekenaar, karikaturist en kunstenaar Honoré-Victorin Daumier (1808-1879).

Het gaat om een spotprent die toont hoe een acteur zo ongezien mogelijk via de achteringang een theater betreedt. Op zijn hand draagt hij een kartonnen schaaltje met armeluisvoedsel, frieten dus.

We kunnen ons er zodoende van overtuigen dat het geen gewone gebakken aardappelstukken zijn, maar aardappelstaafjes. Dat wil zeggen: de friet op het schaaltje van de acteur lijkt niet op Nederlandse of Vlaamse friet, maar heeft op het oog de snijmaat van de Engelse patat, de chips die bij de fish horen.

Enig voorbehoud moet ik wel maken. Hoewel ik flink kan inzoemen op de tekening op mijn beeldscherm, krijg ik de friet op het schaaltje niet haarscherp.

Ik maak een sprong van ruim twintig jaar vooruit.

Een verslaggever van het Algemeen Handelsblad beschrijft in 1864 in dichterlijke volzinnen een denkbeeldig tafereel op Pont Neuf, een tafereel waarin gefriteerde aardappelen aan bod komen. Ja, frituren heette in Nederland in vroeger jaren friteren. En trouwens; de gefriteerde aardappelen in kwestie hebben niet de vorm van friet, maar zijn schijfvormig.

De verslaggever schrijft:

“Op zekeren avond, zoo als ook nog tegenwoordig plaats heeft, braadden in eene ijzeren pan, op den Pont Neuf, aan den voet van het ruiterstandbeeld van Hendrik IV een onaangenaam ruikend vet en sterke boter, en in dit mengsel werden aardappelen geworpen tot schijven gesneden, die tot pommes de terre frites moesten gemetamorphoseerd worden, welke gebakken aardappelen de lievelingsspijze is van de Parijssche Grisette en van den Gamin… ten minste wanneer zij niets beters bekomen kunnen.”

De journalist vervolgt:

“Ik weet niet, wat Hendrik IV, die wenschte dat elk zijner onderdanen ten minste een hoen in den pot had, welk dacht, toen de walm van de sterke boter zijn metalen neus bereikte, maar voor de ziedende pan, waarin de aardappelen-sneden dansten, stond een lief jong meisje, in armoedige, maar niettemin zindelijke kleeding, die op de bradende lekkernij zulke verliefde blikken sloeg, dat een heer die voorbij ging, lagchende staan bleef en het meisje een grooten zak vol gebradene aardappelen aanbood. Zij bedankte blozende en was reeds bezig het geschonkene aan te spreken, toen de vreemde heer zich nog eens omwendde om haar aan te zien…..”

Enfin.

Het lieftallige armoedig ogende meisje ontpopt zich in het verhaal in het Algemeen Handelsblad tot niemand minder dan Marie Duplessis, een beroemde courtisane die in haar latere leven omgang heeft met tal van rijke, machtige mannen. Vroegtijdig komt ze echter door de tering aan haar einde.

Ze sterft in 1847. Nog maar 23 lentes is Marie dan.

Hoogdravend proza is in de negentiende eeuw geen uitzondering in de Nederlandse dagbladjournalistiek. Eveneens is niet ongebruikelijk dat de kranten recensies afdrukken van theateropvoeringen in Parijs.

Het chique handelsblad beschrijft in 1894 een concert van de Parijse sopraan Mily Meyer, in haar tijd een ster van grote allure. De recensent is niet bijster onder de indruk van het gebodene tijdens deze operette-uitvoering. Hij stelt vast dat Mily “die ziel van het stukje is, dat in den zeer gewonen operettestijl gemaakt geen inhoud heeft en een muziek bij dien inhoud parend. Alleen een aardige marsch der pommes de terre frites frappeerde mij.”

Zingt Milly een frietliedje?

Liederen over gefrituurde aardappelen, het Parijse streetfood bij uitstek, zijn in de tweede helft van de negentiende eeuw geen uitzondering. Er zijn verscheidene oude Franse chansons over friet en de frituur bekend.

De gefrituurde aardappelen van Parijs figureren in 1895 ook in een krantenartikel waarin een vaderlandse journalist de loftrompet steekt over “de schoonste figuren in die duizendkleurige en steeds afwisselende beweging”, de drukke Franse hoofdstad dus.

Hij beschrijft de levendige straathandel “vanaf den straatwerker tot den ambulanten koopman, die zijn waren op een rooden zakdoek aan de rand van een trottoir uitspreidt, voortdurend rechts en links glurend om de ongewenschte overval van een agent te voorkomen; van af de groentevrouwen met harer karren in rijen langs de straat, tot de verkoopsters van pomme-de-terre-frites, die een hoekje huurden van een voorhuis, waar zij hun smakelijke waar, versch bereid, verkoopen aan de grage jeugd”.

Een collega van een andere Nederlandse krant voegt nog toe: “Ook volwassenen versmaden de inderdaad zeer smakelijke spijs niet en velen, die in den vroegen morgen naar hun werk moeten, dient zij tot ontbijt.” Friet als petit-déjeuner, moet kunnen.

Ja, de Franse hoofdstad is vergeven van de frietverkopers. Er zijn er zelfs die bij derden een stukje van de woning huren; zodoende kunnen ze via het raam, een deur of in het portiek pommes frites verkopen. Nogmaals; over de vorm van de gebraden aardappelen hebben we geen deugdelijke informatie, maar enkele tientallen jaren lang is dit soort patatverkoop dagelijkse kost in de straten van Parijs.

Uiterst curieus is een krantenartikel uit het Brabants Dagblad.

We schrijven 1871 en citeren: “In Parijs, dichtbij de Pont Louis Philippe, staat een klein houten huisje, waarin overdag een oud vrouwtje gebraden aardappelen, des pommes de terre frites, verkoopt. Het hutje huurde zij van een eigenaar die het alleen ’s nachts bewoonde, omdat hij overdag door de straten van Parijs liep met een lange stok waaraan enkele dode ratten hingen.”

“Het was een grijsaard van wie niemand iets anders wist dan dat hij tot één van de aanzienlijkste families van Parijs behoorde. Ook na zijn dood, verleden week, is echter het geheim van zijn precieze afkomst en geboorte niet opgelost. Hij was vooral bekend als een rattendoder en riep altijd met een gebroken stem “la mort aux rats!” Hij vroeg een koperen sou, omgerekend tweeëneenhalve Nederlandse centen, voor elke rat die hij in iemands kelder, pakhuis of woonhuis doodde. Na zijn overlijden heeft men in een houten kist het portret gevonden van een edelman uit de vorige eeuw; vermoedelijk zijn vader.”

Waar wat eten is, friet of niet, daar zijn ratten.

© Ubel Zuiderveld

Hier vind je meer informatie over mijn frietlezingen.

Serie Frietverhalen: alle afleveringen:

Aflevering 1: Frietnationalisme
Aflevering 2: Bruikbare burgervrouwen
Aflevering 3: Ratten en friet
Aflevering 4: Piet bakt friet
Aflevering 5: Katholieke afscheiding

Scroll naar top