Rokersoor

Roken1000

ubelski: juni 2020

Een columnist schrijft het. Ze vond het sexy staan, zo’n rokertje achter het oor, vroeger bij jongens. Maar, schrijft ze, je ziet het nooit meer. Ik draag nog regelmatig een sigaretje achter het oor, het dovemansoor voor alle waarschuwingen dat je van roken gitzwarte voeten krijgt.

Meestal plaats ik het rokertje op z’n plek tegen het einde van lange vergaderingen. In de raadszaal hier ter stede assembleer ik tijdens de rondvraag een ambachtelijk, want hand gedraaid rokertje. Daarna gaat hij achter mijn rechter oor tot de voorzitter afhamert.

Nee, het is geen goed voorbeeld voor jongeren, maar die zijn er in de lokale politiek toch niet of nauwelijks. Ja, er is één jonge meid. Maar die rookt zelf al; daar helpen goede voorbeelden dus al niet meer. Bovendien mag het gewoon nog, draaien in de raadszaal. Tot ook het plegen van de voorbereidingshandelingen in openbare gebouwen ten strengste verboden wordt.

Ja, dat gaat vast en zeker een keer gebeuren.

Of het nog een sexy beeld oplevert, mijn calorievrije tussendoortje achter dat met de jaren lengende oor, is zeer de vraag. Mijn kop raakte met het verstrijken van de tijd steeds meer verkreukeld.

Vroeger beleefde ik op goede momenten nog wel eens vreugde aan mijn spiegelbeeld. Tegenwoordig kan ik de aanblik nauwelijks rijmen met de man die mijn naam, geboortedatum en geboorteplaats in zijn paspoort draagt.

De openlijke voorbereidingshandelingen op het plegen van ontucht met mijn longen, zijn misschien wel een beetje ingegeven, eerlijk is eerlijk, door ingeboren recalcitrantie mijnerzijds. Het speelt mij vaker parten. Laatst nog.

Ik vervoegde mij bij de huisarts, een invalster, met verstopte holtes. Met een pinnig stemgeluid priemde ze in mijn dovemansoren “Rookt u?” Ik voelde mij alleen al door haar intonatie veroordeeld zonder eerlijk proces. Dus zei ik heel kalm, ja zo kalm mogelijk: “Jazeker mevrouw, tot groot genoegen”.

Enfin, ze werd toen heel boos en ze riep “Mensen als u zouden geen antibiotica moeten krijgen!” Ik riposteerde, opnieuw nicotine-bevredigd kalm: “U heeft het gelijk volkomen aan uw zijde mevrouw. Skiërs met gebroken benen, mensen met overgewicht, longlijders met open haarden. Het is gewoon een schande dat mensen die zelf zoveel risico nemen in hun eigen leven zich met mankementen vervoegen bij u als huisarts. Ik ben het volledig eens met uw stelling.”

Toen ik uitgepraat was, bood de huisarts haar verontschuldigingen aan. Dat vond ik dan wel weer heel fideel van haar.

Over roken gesproken.

In de tijd dat mijn kop nog niet verkreukeld was en ik mijn haar nog gitzwart verfde, stond ik een keer prominent op de jongerenpagina van een grote regionale krant. In een rubriek over regionale stijliconen.

Ik stond er afgebeeld met mijn unieke rokersbretels. Op de rechter bretel zat een uitsparing waarin precies een pakje Marlboro paste en met wat douwen kreeg je er ook wel een vol pakje Samsonshag in.

De rechter bretel was voorzien van een uitsparing voor de aansteker. De bretels waren van weinig buigzaam zwart leer en deden een beetje denken aan een sm-tuigje.

Maar in combinatie met mijn kleding, die het midden hield tussen new wave en hippie, kon mijn tuigje er best meer door. Enfin. Zo stelde de krant mij dus als voorbeeld voor de jeugd ten toon. Je kunt het je nu niet meer voorstellen.

In ben nooit iemand anders tegengekomen die ook zo’n sm-tuigje voor rokers droeg. Ik zou niet weten waar ik mijn bretels gelaten heb; laatst heb ik me rot gezocht of ik ze ergens in huis vinden kon. Immers; ze zijn toch leuke feestdracht vandaag de dag. Tenminste, als je aard recalcitrant is en je in het bezit bent van dovemansoren.

© Ubel Zuiderveld

Scroll naar top