Domein Herman

domeinherman

ubelski: januari 2020

Koos trek theatraal een met dikke stift vol bekladde deur open. “En dit,” zegt hij, “dit is het Heilige der Heiligen. Hier trok Herman zich in stilte terug. Als hij zijn shotje moest zetten, zeg maar.” Koos wijst op de collectie stropdassen, waarmee Brood zijn arm afbond. Hij laat zijn vinger langs de binnenkant van de deur gaan. Vaag is nog een memo van Herman aan zichzelf te lezen. Moeder jarig, bloemen. Koos spreekt: “De binnenkant van deze deur was Hermans agenda, zeg maar. Hij plakte er zijn afspraken op, weet je wel. ”

Broodmanager Koos grijpt naar de bovenkant van een smerig medicijnkastje; het hangt boven een grote smoezelige ijzeren wasbak. Hij tovert een injectiespuit tevoorschijn. “Ze liggen er nog. We hebben alles gelaten zoals het was. Alsof Herman elk moment kan binnenstappen.”

Met een zucht trekt Koos de deur van de sanitaire ruimte in Broods atelier achter zich dicht. De coach van de rock & roll junkie is een resoluut man. Sinds Hermans fatale sprong van het dak van het Hilton Hotel, heeft hij al heel wat mensen rondgeleid in dit heiligdom van de vaderlandse rockmuziek.

Toch is in de besliste stem en het elastiek-strakke lijf van de nuchtere Groningse doordouwer voor de fijnproever een minieme trilling bespeurbaar, die een greintje van nature ingehouden emoties verraadt. Tijdens het eerste deel van de sightseeing door Domein Herman aan het Spui wist Koos ze nog keurig onder controle te houden.

Met een bijna zakelijk gebaar had hij gewezen op de stillevens in de ruimte boven het Amsterdamse café waar Herman Brood, idool uit mijn pubertijd, leefde, werkte en alles deed dat god toejuichte, verbood of zelfs in zijn stoutste dromen nooit had kunnen verzinnen.

Ik kijk rond.

Het bed van Brood; de slaapgeur van de overledene hangt er nog omheen. De bezoekersstoel pal naast het bed, wie hebben er niet allemaal gezeten? Slordig gedrapeerde Seventeens en andere pornoblaadjes. De cactus van Bono. De voorman van U2 speelde Stuck In A Moment op de rand van Broods bed; de patiënt was al uiterst broos en breekbaar. Ik aanschouw de half opgebrande megakruidenstaaf, waarmee de Duitse rockdiva Nina Hagen de ruimte wijdde en duivels verdreef.

Langs de andere wand, op een verhoging, is een waar nederpop-relikwie te bewonderen,  Broods loodzware podiumpiano. Hij zit helemaal onder de verfvlekken en verfvegen. “Kijk, hij doet het nog,” zei Koos gezegd nadat hij wat toetsen had aangeslagen. Een koude rilling trekt door mijn lijf; het is toch het signatuurgeluid van de vele Brood-concerten die ik bezocht. De Broodpingel, noemde ik het altijd, de rinkelende en rammelende toetsenriedels waarvan zijn beste werk doordesemd is. Ja, een beetje Little Richard, maar dan toch ook weer anders en eigen.

Zonder een flinke portie gehamer van de maestro hemzelf, was voor mij een Brood-concert nooit compleet. Het is natuurlijk ook het geluid van zijn evergreen Saturdaynight. Bespeelde hij deze piano toen ik hem de eerste keer zag optreden? Kleine kans natuurlijk. Dus vraag ik het Koos maar niet, zodat ik een illusie kan blijven koesteren.

En ik weet het nog als de dag van gisteren. Het was 1977 in mijn hometown Groningen. Brood vertolkte Champagne ’n Wine, liet een ober in jacquet met vlinderdas opdraven die hem een dienblad vol gevulde champagneglazen voor hield; en passant danste een ballerina bevallig om zijn instrument heen. Broods ster was pijlsnel stijgende, zeker in Groningen en omstreken. Zeker, hij was er de man naar die er dan nog een schepje bovenop deed. Zonder enige plaatsvervangende schaamte van betekenis, bij voorkeur liefst zo opzichtig en doorzichtig mogelijk.

Met zijn checkin’ out in your last hotel, een kloeke duik van het hoteldak van Amsterdam Hilton, heeft Brood een flinke hap uit mijn jeugd genomen. Ik was zestien, zestien in Groningen, de stad waar het, met hem als grote roerganger van rock, toen even allemaal gebeurde. Brood nam de hele plaatselijke popscene mee op sleeptouw. Ja, het was dé tijd om jong te zijn in Groningen.

Brood was toen net een dik jaar bezig aan zijn onstuimige rockromance en had kort daarvoor kroegbaas Koos van Dijk ontmoet. De anekdote over hun eerste ontmoeting is vaak verteld. Om te garanderen dat dit blijft gebeuren, herhaal ik hem nog maar een keer.

Herman moest optreden in Van Dijks café Het Pleintje in Winschoten, de kroeg waar ik enkele jaren later heel wat uurtjes zoet bracht in mijn tijd als journalist bij De Winschoter Courant. Brood moest op, maar Van Dijk trof hem radeloos in de kleedkamer aan.

“Wat is er, mien jong?” informeerde Koos.

“Mijn spuitje is in de afvalbak gevallen,” klonk het wanhopig uit Broods mond.

Koos van Dijk bedacht zich geen moment, keerde de afvalton om in de kleedkamer, vond het spuitje en Brood kon op.

“Zo begon het,” vertelde Van Dijk in een interview dat ik ergens rond het midden van de jaren ’80 van de vorige eeuw met hem had.

Mijn eerste interview met Brood zelf had ik toen al achter de rug.

“Denk je om je cassetterecordertje? Herman praat niet zonder cassetterecordertje,” waarschuwde van Dijk van tevoren.

Brood droeg die avond in De Brinkhoeve in Roden een smetteloos wit pak. Het was in de tijd van het album Modern Times Revive, een jaar na zijn Amerikaanse toernee en ná Saturdaynight. Brood bleek een stuk kleiner dan ik had verwacht; toch keek ik het hele interview op in ontzag. Het vraaggesprek in de bar van de plaatselijke feestzaal duurde vijf dubbele whisky’s lang.

“Met een beetje veel ijs graag, mamma,” voegde Brood er bij elke bestelling steevast aan toe.

Van Dijk kwam tussendoor om Brood zijn in vloeipapier gevouwen medicijn te geven, speed nam ik aan.

“God, wat lul ik toch veel vandaag,” zei hij na anderhalf uur.

Dat klopte. Hij had al lang op gemoeten. Ten langen leste vroeg hij of de interviewer even wilde kijken of er buitenom een route naar het podium was. “Ik wil niet door het publiek opkomen, vandaar.”

Ik banjerde door de modder aan de zijkant van het feestgebouw en bonsde op een zijdeur ter hoogte van het podium. Mijn hart bonkte zowat uit mijn lijf. Fan was ik, adept, en nu baande ik voor hem zomaar de route naar het podium.

Afgezien van een kort telefonisch interview tussendoor, trof ik Brood daarna voor een verhaal voor muziekblad Gig. In het Americain in Amsterdam was dat. Vrouw Xandra was erbij met een buik die op springen stond. Brood tilde haar truitje op en aaide over de strakke bolling om met enige plechtstatigheid te verklaren: “Lola gaat ze heten, net zoals die song van The Kinks, weet je.”

En weer trof mij, net als de eerste keer in Roden, hoe verlegen, zachtaardig en begaafd Brood was. Ontmoetingen met je grote idool lopen altijd uit op een complete teleurstelling, zeiden mensen die het weten kunnen mij altijd. Niet bij Herman Brood, kan ik ze vertellen. De mens Brood was dermate charismatisch en charmant, dat mijn achting voor hem geenszins de voorspelde deuk opliep. De magie van zijn optredens, van de eerste tonen van de band, de opkomst, de eerste aanslag van de piano; het kwam daarna nog net zo sterk binnen als de keren voor de kennismaking.

Nu, hier in Domein Herman, heeft Koos zich hernomen. Hij wijst op de deur die hij zojuist achter ons sloot. “Kijk, de poster hadden we al klaar. Zie je, Chez Brood. Met dat programma zou hij solo de theaters ingaan. Soul, Ray Charles, dat soort dingen, weet je wel?”

Ik kijk nog één keer rond. Mijn camera houd ik in de tas. In de publiciteitsgevoelige geest van de overledene had ik gerust foto’s kunnen maken, ik weet het. Maar iets houdt me tegen. “Het zou een museum moeten worden,” zeg ik geheel overbodig.

Koos gaat van ene op het andere moment over tot de actualiteit van de dag, mijn interview met hem en Ellen ten Damme. “Kom op, we gaan naar het café beneden. Ellen komt er zo aan, een dame laat je niet wachten.”

© Ubel Zuiderveld

Foto: Johan van de Garde

 

Scroll naar top