Agfa

Underwood1000

ubelski: mei 2020

Zo, weer een flinke lading op de aanhanger en in de achterbak. Als we in de Volvo Break van mijn zus het dorp van mijn ouders verlaten, hebben we nog niet afgesproken waar we heen gaan. Vorige week, met al die boeken in de kar, toen was het duidelijk. Pa vond het moeilijk er afscheid van te nemen; daarom liet hij ons uitzoeken welke boeken we nog wilden lezen en welke er weg konden.

Toen we met de honderden boeken vertrokken, zei hij op de oprit van ons ouderlijke huis nog manmoedig, wijzend op de bovenkant van zijn schedel: “Je leest ze toch nooit meer, die boeken, en bovendien; ze zitten allemaal hier.” Moeder stond er wat onbestemd en niet-begrijpend naast; bij haar is een deel van de inhoud uit het hoofd verdwenen.

De boeken moesten naar de Kringloop; dat was voor mij en m’n zus zo klaar als een klontje. Vader zou het goed doen te weten dat de Kringloop er andere mensen blij mee zou maken en er nog wat aan verdiende ook. Gelukkig wilde de Kringloop ze hebben, de boeken.

“Even kijken,” zei de vrijwilliger in oranje hesje. Hij wierp kort een blik op de ruggen in de bananendozen. “Ja, dat ziet er goed uit. Daar zit nog wel wat bij waarmee wij wat kunnen.”

Maar het ladinkje van zolder dat nu voorgoed ons ouderlijk huis verlaat, is van een andere orde. Elk ding hebben we in onze handen gehad en staat voor een fase in ons opgroeiende leven.

De beddenpan die ter decoratie aan de muur hing in de flat waar we opgroeiden.

De schaalauto’s, oldtimers die onze vader zelf in zijn jeugdjaren in elkaar had gezet.

De hoogtezon om het gezicht te bruinen; het was ooit een hype. Ik zie mijn vader en moeder nog zitten met die rare ronde brilletjes op in de slaapkamer, die daardoor kleurde in de gloed van een hoerenkast.

De twee oranje kinderscheppen die we gebruikten op vakantie aan het strand bij de Golf van Biskaje.

Staand op het wankele vlizotrapje geef ik de spullen één voor één naar beneden door aan mijn zus. Nu en dan wisselen we een blik van verstandhouding, zeggen we vertederd, lachend of aangedaan “Ach, ja, dat hing altijd, dat stond, dat lag altijd, dat gebruikten we altijd…” maar werken we vooral door om meters te maken.

Mijn zus legt met enige regelmaat dingen apart; ze kan moeilijker afscheid nemen dan ik, heeft bovendien thuis meer opslagruimte tot haar beschikking. Het enige dat ik apart houd, met permissie van mijn zus, is de loodzware Underwood-typemachine.

“Ik wist niet eens dat die er nog was. Eerlijk gezegd; ik dacht dat ik die zelf al eens had verkwanseld,” zei ik. Het is de typemachine waarop ik mijn eerste verhaaltjes tikte; ik zal een jaar of tien, elf, twaalf geweest zijn.

“Gebruikte opa die al in de winkel vroeger?” vraag ik mijn vader als we even koffie zitten te drinken.

“Nee,” zegt papa, “die is van tante De Vries geweest, die oude mevrouw die inwoonde naast de Spar-winkel van oom Henk. Ik weet eigenlijk niet waarom ze ons die typemachine gegeven heeft. Ik kan me nog herinneren dat ze vertelde dat ze die in de jaren dertig had gekocht.”

Mij schiet ineens iets te binnen.

Als kind maakte ik tijdschiften op multoblaadjes. Ik schreef ze met pen en stiften vol met nieuws uit de familie; had ik er één klaar, dan maakte ik die na in een oplage van een stuk of zes, zeven, zodat je zeven of acht identieke tijdschriftjes had. Die deelde ik uit.

Heb ik er tante De Vries, die overigens helemaal geen tante was, ook één gegeven? Kregen wij daarom de typemachine? Ach, misschien is de wens de vader van de gedachte; ik houd hem daarom maar voor mij.

Er is één attribuut waar zowel ik als mijn zus wat langer bij stilstaan. Het is de oude Agfa-fotocamera in een geïntegreerd hard harnas van glimmend bruin kunststof.

“Een wel heel bijzonder fototoestel,” zeg ik tegen mijn zus. Elke vakantie ging hij mee; zelden maakte mijn vader er buiten de vakantie om foto’s mee, maar voordat we in de zomer vertrokken kocht hij steevast wat fotorolletjes.

“Hiermee heeft papa heel wat foto’s gemaakt van onze benen en van halve hoofden,” zeg ik met een lach die weemoedig klinkt.

Vader kreeg altijd de wind van voren van mijn moeder als de foto’s die van de fotowinkel kwamen werden bekeken. “Ach Jaap, nou heb je weer de hoofden van de kinderen er niet helemaal op staan; hoe krijg je dat nou toch altijd voor elkaar?”

Ja, heel vaak beleefden we vakantie-napret dankzij halve hoofden of andere fotogenieke lichaamsdelen. Ik herinner me zelfs foto’s van mijn zus en mij op een skelterbaan, ergens in het zonnige zuiden, waarop je alleen onze benen zag.

“Wat is dit dan, dit doosje? Daarin zit nog precies zo’n fototoestel,” ontdekt mijn zus. “Had papa twee dezelfde camera’s?”

Mijn vader weet niet meer waarom hij er twee heeft. Mijn zus en ik aarzelen beiden even, maar leggen de camera’s toch bij de spullen die voorgoed de levens van onze familie zullen verlaten.

We zijn ons ouderlijk dorp nog niet uit, als ik mijn zus ken in het besluit dat inwendig in mij heeft postgevat. “Weet je; er zit nauwelijks iets bij wat de Kringloop nog kan verkopen. Volgens mij moeten we het gewoon maar naar het Winschoterdiep brengen.”

Mijn zus knikt instemmend.

“Zei papa niet dat de weg binnendoor naar Westerbroek is afgesloten?” vraagt ze. “Dan moeten we omrijden via de stad.”

De weg naar Westerbroek blijkt open; er staan gele borden die vertellen dat hij de komende week dicht gaat.

Een paar minuten later staat de Volvo Break met aanhanger geparkeerd op de hellingbaan waarlangs alle containers staan voor hout, metaal, kunststof, grof afval, hard plastic, elektrische apparatuur en papier. Er staan nog een stuk of acht andere auto’s; allemaal veertiger en vijftigers die, zo lijkt het en voelt het, de levens van een oudere generatie opruimen.

Zonder dat we verder een woord wisselen, pakken mijn zus en ik soort bij soort de spullen uit de auto en de aanhangwagen, en deponeren die in de bijbehorende zeecontainers naast de verhoogde hellingbaan.

Met de hoogtezon, de drie-in-één stereocombinatie met geluidsboxen en de fotocamera’s loop ik naar de zeecontainer aan de uiterste rand van de hellingbaan. De zeecontainer is bijna helemaal nog leeg; achterin staat wat apparatuur opgestapeld; een televisie, een computer, een oude wasmachine en een keukenafzuiging.

Ik moet dus helemaal de container inlopen om onze spullen te deponeren; het stinkt er naar afgewerkt frituurvet. Op de bodem ligt een aangekoekte laag verdroogd frituurvet; mijn voetstappen klinken plakkerig.

Ik zet onze spullen bovenop de wasmachine. Als ik alle elektrische spullen heb gedeponeerd en de container weer wil verlaten, bedenk ik mij. Ik draai mij om en pak alsnog de Agfa-camera in het harde bruine karkas. Eenmaal terug bij de Volvo, houd ik hem met een glimlach omhoog naar mijn zus.

“Ik weet niet waarom, maar ik neem hem toch mee,” zeg ik.

Mijn zus werpt een blik van begripvolle instemming.

Ze pakt één van de laatste dingen van de aanhanger; een vlaggenstok met de Nederlandse driekleur er nog aan.

“Deze stok is van hout; zou het gewoon bij het hout moeten?”

Ik neem de vlag van haar over en loop ermee naar de ingang van de hellingbaan. Bij het gecombineerde informatie- en chemisch afval loket vraag ik: “Moet dit bij het houtafval?”

Even aarzelt de man in zijn oranje hesje.

Ik bedenk in een flits dat er misschien in Amerika wel de doodstraf op staat om een vlag weg te gooien.

“Doe maar gewoon bij het grof afval,” zegt hij.

Met wapperende vlag loop ik naar de bedoelde container vlakbij de Volvo.

De auto en de aanhanger zijn leeg; mijn zus zie ik nergens.

Nadat ik de vlag heb gedeponeerd, kijk ik speurend om mij heen.

Ah, daar komt ze aanlopen uit de richting van de zeecontainer met elektrische apparatuur. Als ze terug bij de auto is, houdt ze het doosje omhoog waarin de tweede Agfacamera zit.

“Ik heb hem er toch maar weer uit gehaald,” zegt ze.

Ik ruik frituurvet, mijn zus glimlacht zichtbaar aangedaan.

© Ubel Zuiderveld

Scroll naar top