Campagne

De campagneactie had plaats op zo’n kille, druilerige avond waarvan ons landje in december vlak voor de feestdagen vergeven is. Het was op een koopavond, een volledig overbodige koopavond. Zo’n extra koopavond midden door de week waarvoor niemand tussen Sint en de komst van de kerstman warm wil lopen, omdat het nu eenmaal steevast belabberd weer is.

Tekst: Ubel Zuiderveld / Foto: PvdA Winterswijk

Frivole kerstverlichting in de winkelstraten moest nog enige verleidelijke vrolijkheid suggereren. Maar het sierlicht deed niet veel anders dan zich doelloos reflecteren in het plaveisel van de lege vochtige straten van het koopcentrum.


Natuurlijk. Ik had mijn partijgenoten vooraf gewaarschuwd. Okay, hun idee was leuk, en ik wilde geen spelbreker zijn, maar was dit nou nodig? Het kwam trouwens allemaal veel te vroeg. Wie gaat er nou campagne voeren in december op een doordeweekse koopavond als de raadsverkiezingen pas in maart zijn? Maart, als de missie met een beetje goede wil begunstigd werd door een vroeg lentezonnetje? Nou, welke andere partij verzon zoiets? De PvdA in mijn dorp dus.


En iedereen moest sandwichborden om. Als reclamepoppetjes moesten we de straat op, met een gitzwart leeg sandwichbord. Zodat de potentiële kiezers er iets op konden schrijven met krijt.


Mijn medepartijleden verzamelden zich in de lobby van het oude gemeentehuis. Daar was de hele donderse rooie mikmak bij elkaar en stonden de sandwichborden klaar. Natuurlijk droeg iedereen een rode jas, sommigen een rode cap, anderen een rode sjaal.


Over een stoel hing nóg een rood pak. Daarover heen was iets gedrapeerd dat leek op zo’n grote dot watten, bedoeld om een gutsende wond te stelpen tijdens een bijkans fatale operatie. “Wat is dat dan?” vroeg ik campagneleider Theo.
“Kameraad Zuiderveld,” sprak Theo plechtig. “Kameraad, dat is het kerstpak dat wij speciaal voor jou hebben gehuurd. Want daarin ga jij vanavond onze kiezers overtuigen dat ze de enige juiste keuze moeten maken.” Theo bezigde vaak het ouderwetse communistenwoord “kameraad”. Hij sprak het altijd uit met lichte ironie.

“Hoe bedoel je?” vroeg ik als door een wesp gestoken. “Je denkt toch zeker niet dat ik verkleed als malloot op koopavond door het dorp ga banjeren?” En ik liet erop volgen “Ik mag dan wel rood zijn, er zijn grenzen. Dit is zo’n grens, dé absolute grens.”


Campagneleider Theo blikte of bloosde niet. Hij pakte iets van de zitting van de stoel. Het was een koperkleurig kerstbelletje. Theo zwaaide daarmee op en neer en heen en weer en riep luid “Ho, ho, ho!” Terwijl de rest van de rode kameraden druk doende was zich te hullen in sandwichborden, was ik het liefst ondergronds gegaan.


“Kameraden attentie!” riep Theo. “Kameraad Zuiderveld hier weigert een dienstbevel. Hij wil niet onze kerstman zijn. Hebben jullie dat goed gehoord?”


Niemand reageerde, behalve ik. “Alles goed en wel, ik ben niet zo gek dat ik in een kerstpak de idioot ga uithangen in het dorp! En in zo’n bord krijg je mij trouwens ook niet.” Ja, Ik jammerde als een mokkend kind.


Theo legde zich bij mijn gemok neer. “Goed kameraad Zuiderveld. Dan zal Theootje het zelf wel weer doen. Maar deze weigering zal natuurlijk niet zonder gevolgen blijven en kán gevolgen hebben voor uw plek op de kandidatenlijst, dat begrijpt u zeker wel.”

Een paar minuten later liep ons campagneteam als een stel misplaatste heilssoldaten door het verpletterend verlaten koopcentrum van het kiesdistrict. Gelukkig moesten voorbijgangers moeite doen om mij en mijn rooie strijdmakkers te herkennen. Niet alle winkels waren open. Dus was het op sommige stukken van de winkelstraten behoorlijk duister. Ik maakte daarvan strategisch gebruik en ontweek zoveel mogelijk het licht dat de etalages en reclamebakken her en der over het natte plaveisel wierpen. Eerlijk gezegd, ik was niet de enige. Iedereen liep er met z’n lege sandwichborden een beetje bij of hij er niet bij hoorde. Onder aanvoering van kerstman Theo, wiens enthousiasme geen grenzen leek te hebben. Hij bleef maar zwaaien met zijn belletje en “Ho, ho, ho!” roepen. Soms riep hij godbetert “Ho, ho, ho, de PvdA ja die is zo!” Nee, het kon Theo allemaal niets verdommen. Nou was hij als enige van de troepen eerlijk gezegd volledig onherkenbaar. De kerstbaard was zo slordig geplaatst dat die vrijwel Theo’s hele gezicht bedekte, op een streepje rond zijn ogen na.

De meeste passanten, veel waren het er niet, liepen op eerbiedige afstand langs ons plaatselijke sociaaldemocraten heen. Met dikke mutsen op hun gebogen hoofden. Alleen als ze vlakbij waren zag je een enkeling even kort een blik opzij werpen. Hierbij meende ik dat ik ze stuk voor stuk lichtjes met hun hoofd zag schudden en meewarig zag glimlachen. Ja, je zag ze denken: “Die PvdA’ers weten langzamerhand ook van radeloosheid niet meer wat ze moeten doen om mensen nog zo gek te krijgen op hen te gaan stemmen.”

Hoewel op de druilerige koopavond zich maar luttele levende zielen op straat vertoonden, waren er toch een paar verdwaalde koukleumen zo gek om met krijt iets te schrijven op de lege sandwichborden. Het idee was om dagelijkse ergernissen van de potentiële lokale kiezers te inventariseren. Dus stond na een uurtje slenteren onder de slordig geplakte PvdA-logo’s geschreven “overlast van hondenpoep” en “het slechte weer in Nederland”. Maar vooral troffen ik en mijn medestrijders stevig ingepakte dorpsgenoten die eigenlijk niets konden verzinnen. Ze waren best behoorlijk tevreden, zeiden ze. Ondanks stevig aandringen en zelfs concrete suggesties van enkele mede-PvdA’ers, lieten ze zich geen enkele plaatselijke ergernis van betekenis aanpraten.


De geestdrift van kerstman Theo leed er niet onder.


Uitgesproken euforisch was hij toen hij zag dat er voor de ingang van de HEMA een kerstman warme chocolademelk stond uit te delen. “Een hulpkerstman! Een collega!” riep Theo uit. Hij stormde er zwaaiend met zijn rinkelende belletje op af. De HEMA-kerstman had niets te doen. Dus dronken we bij zijn wankele campingtafeltje met HEMA-kerstkleedjes lang warme chocolademelk. Ik en mijn mederooien trappelden ondertussen met onze voeten om warm te blijven.
Na een kwartiertje nam Theo omstandig afscheid van zijn collega uit Lapland. Ja, we moesten hem bijna meesleuren.


“Nou, succes de komende dagen collega. Ho, ho, ho, zeg ik altijd maar!” zei Theo. Gelukkig liet hij het koperen belletje bij het afscheid onaangeroerd.

Als een stel verzopen katten betrad ons campagneteam kort daarna de lobby van het gemeentehuis weer. Het was aan de wandelende sandwichborden af te lezen, dat niemand bijster over het resultaat van de missie te spreken was. De stemming voelde zelfs zo neerslachtig aan dat je moest vrezen voor de glans van de rest van de campagne. Ongetwijfeld vroeg een enkele verkiesbare kandidaat zich zelfs ernstig af waaraan ‘ie in godsnaam begonnen was. Kerstman Theo niet. Die riep, terwijl hij zijn baard over zijn hoofd trok “Nou was dit een succes of was dit geen succes?”

Niemand voelde de dwingende behoefte een officiële reactie te geven. Maar Theo wist niet van wijken. “Kameraad Zuiderveld. U stuurt toch wel een stukje met een foto naar de krant hè? Dit mogen onze kiezers natuurlijk niet missen!”
Theo zwaaide nogmaals met zijn belletje om zijn boodschap kracht bij te zetten. Ik riep moedeloos “Ho, ho, ho!”