Frietverhalen 4/5

fritserie

ubelski: mei 2020

Piet bakt friet

.
Er zijn in ons land veel Pieten die friet bakken. Je hebt Piet Friet in Roermond en omstreken, Friet van Piet in Groningen. En zo is er nog een hele rits andere frietende Pieten. Ik geloof zelfs dat er speciaal voor ons volk aan de Spaanse costa’s een Nederlandse snackbar is die zich iets met friet en Piet noemt.

De wereldberoemdste vaderlandse Piet die zich laat voorstaan op zijn frietkunsten, is zonder enige competitie Piet Mondriaan.

Bekend geworden door zijn vlakschilderijen met de primaire kleuren rood, blauw en geel, noemen ’s werelds grootste kunstkenners hem tegenwoordig in één adem met Rembrandt en Vincent van Gogh.

Mondriaan woont lang in Parijs.

Met een onderbreking tijdens de Eerste Wereldoorlog, verblijft hij van 1912 tot 1938 in de Lichtstad. Parijs is dan, vooral in de zomer, vergeven van straathandelaars die friet verkopen.

Aanvankelijk gaat het vooral om brokken gebakken aardappel. Later worden gefrituurde aardappelstaafjes, echte friet dus, de standaard in Parijs.

Niemand bakt echter beter patates frites dan hij, zo beweert Friet van Piet Mondriaan. Althans, zo staat het opgetekend in de biografie die Léon Hanssen schreef over Mondriaan.

Echter, een frituurpan heeft Piet aanvankelijk niet in zijn atelier aan de Rue du Départ in Parijs. Als Mondriaan zo’n ervaren en bedreven friturist is als hij beweert, bakte hij dus eerder en elders friet. Of hij heeft het gewoon lange tijd gedaan zoals velen het deden; in een willekeurige diepe pan op open vuur, een pan met een flinke laag ziedend vet.

Dat Mondriaan zichzelf een formidabele frietbakker acht, weten we dankzij de overlevering van musicus en kunstjournalist Paul Sanders. Sanders bezoekt Mondriaan meer dan eens in Parijs.

Hoewel Piet, de bescheidenheid zelve, ietwat tegensputtert, besluit Sanders hem een frituurpan te schenken, een soort van verlaat verjaardagscadeautje. Kort voor Sanders’ bezoek, is Piet Mondriaan namelijk 53 jaar geworden, op 7 maart 1925 om precies te zijn.

In een winkel voor huishoudelijke artikelen, niet ver verwijderd van Piets Parijse atelier, koopt Sanders een goedkope friteuse. Hij schaft bovendien voor zijn vriend twee vlijmscherpe roestvrijstalen messen aan, zodat de lijnenkunstenaar aardappelen tot gestileerde friet kan snijden.

Uit de overlevering tekent Mondriaans biograaf in zijn boek op, dat Sanders en Mondriaan zich de eerste baksels goed laten smaken. Letterlijk staat er namelijk geschreven: “En zij genoten een godenmaal op zijn atelier.”

Friet is niet alleen in Parijs, maar ook in Noord-Frankrijk en België in die tijd al uitermate populair volksvoedsel. In de straten van Parijs wordt op straten, pleinen en in portieken volop friet gebakken. In ketels vol vet, die op houten wagens staan, gewoon los op straat op open vuur zijn geplaatst maar ook te vinden zijn in portieken en huiskamertjes met open ramen.

In Nederland is friet rond 1925 nog niet wijd en zijd over alle windstreken verspreid. Maar dit wil niet zeggen dat het geheel onbekend is. Friet, een exponent van de Franse keuken; heel misschien maakt Mondriaan er al kennis mee tijdens de Eerste Wereldoorlog, zijn laatste periode in Nederland. Mede door toedoen van honderdduizenden Belgische vluchtelingen wordt in Nederland op bescheiden schaal friet gefrituurd in “diep vet”. Voor de oorlog is friet in ons land eigenlijk alleen nog maar in delen van Limburg, Brabant en Zeeland een gekend fenomeen.

Veelal blijft bovendien de verkoop beperkt tot kermissen en markten. Menige beignet- en wafelkraam voegt namelijk op zeker moment friet toe aan zijn assortiment.

De frietverspreiding naar de grote steden in de Randstad heeft pas na het midden van de jaren ’20 van de twintigste eeuw plaats. En zelfs gaat er nóg een grote oorlog overheen voordat het frietvet werkelijk over het hele land vloeide als een olievlek. Ja, na de Tweede Wereldoorlog zijn ook de gebiedsdelen boven de grote rivieren stormenderhand gefrituriseerd.

Maar goed; de kans is dus aanwezig, maar wel klein, dat Mondriaan in de periode 1914-1918 tijdens zijn verblijf in Laren met friet kennismaakt en het dus in Nederland leert bakken.

De eerste frietrecepten verschijnen trouwens pas rond 1930 in Nederlandse damestijdschriften. Zelfs in 1937 moet journalist en publicist Johan Willem Werumeus Buning in zijn beroemde kookboek “100 avonturen met een pollepel” nog uitleggen hoe je nou eigenlijk precies friet bakt.

Hij schrijft: “De frituurpan is geen gewone pan, maar een frituurpan. Spreek met een goeden pannenwinkelier, om daar het ware over te weten, en kies ze zoo diep en ruim als uw beurs maar toelaat, en voorzien van een mandje.”

Werumeus Buning stelt verder dat “onze zuiderburen de ware geheimen van het ziedend vet zoveel beter kennen dan wij.”

In elk geval; wij mogen genoegzaam aannemen dat Mondriaan in Parijs voor het eerst kennismaakt met frieten.

Met de frituurpan die hij van Sanders cadeau krijgt, bakt Piet Mondriaan kennelijk dat het een lieve lust was.

Je vraagt je onwillekeurig af hoe het in zijn kleine atelier geroken moet hebben. Het is maar goed niemand destijds de waarde van zijn werk vermoedt. De beroemde vlakwerken in de tableau-serie waaraan hij in die jaren werkt, zoals Tableau no. III, moeten welhaast de aanslag dragen van vleugjes frituurvet.

Met de hedendaagse stand van de technologie is vast en zeker vast te stellen of op de doeken in deze serie sporen van neergeslagen frituurvet zijn aan te treffen.

Mondriaan rookt daarbij bovendien als een ketter; de verf op zijn kunstwerken in de musea overal ter wereld moet wel doordesemd zijn van nicotine.

Omdat hij vaak kampt met geldgebrek en zijn werk hem totaal in beslag neemt, eet Piet Mondriaan bovendien doorgaans zeer eenzijdig. Veel mensen die hem in Parijs bezoeken, rapporteren dat Mondriaan vaak een bord linzen of linzensoep eet, vergezeld van een glas witte wijn, als schraalhans deze aankoop toelaat tenminste.

In 1926 schrijft Mondriaan dat hij kampt met lichamelijke klachten als bloedarmoede en gewrichtsontstekingen. Hij wijt ze aan het consumeren van teveel “vette hap”, noteert hij in een brief.

Ja. Vette hap. Mondriaan schrijft het letterlijk zo.

Was dit destijds in ons land al net zo’n staande zegswijze als in onze tijd? Ik wil het graag weten. Het zou voor dit verhaaltje toch fraai zijn als de uitdrukking “vette hap” aan één van onze grootste frietkunstenaars toegeschreven kan worden?

Ik neem contact op met de Taaladvieslijn van Onze Taal. Daar kan men de datering van “vette hap” niet één twee drie opduikelen in de archieven. Wel komt mevrouw Taaladvies desgevraagd met twee vermeldingen uit dagbladen van 1934 en 1960.

1934 en 1960?

Dat is heel wat jaren nadat Piet vette hap in de mond neemt, of liever gezegd; uit zijn pen laat vloeien.

Mondriaan die in 1926 de Nederlandse taal vanuit Parijs met “vette hap” verrijkt? Zo’n vondst staat fraai op zijn toch al uitgebreide palmares. Zonder wetenschappelijk verantwoord tegenbericht, houd ik het hier dus maar op.

Piet Mondriaan, vette hap, Parijs 1926.

© Ubel Zuiderveld

Hier vind je meer informatie over mijn frietlezingen.

Serie Frietverhalen: alle afleveringen:

Aflevering 1: Frietnationalisme
Aflevering 2: Bruikbare burgervrouwen
Aflevering 3: Ratten en friet
Aflevering 4: Piet bakt friet
Aflevering 5: Katholieke afscheiding

Scroll naar top